29 - 11 - 2018

Eén Europese richtlijn voor CMR-stoffen op werkplek

 

Tekst: Adriaan van Hooijdonk

 

Oproep sociale partners aan Europese Commissie

 

Europese werkgevers en werknemers in de chemische industrie willen dat er één EU-richtlijn voor CMR-stoffen komt. Nu vallen de regels voor kankerverwekkende, mutagene en reprotoxische stoffen nog onder twee richtlijnen. In een gezamenlijke verklaring roepen ze de Europese Commissie op het voorstel mee te nemen in de besluitvorming over een Europees wettelijk kader voor het beheer van CMR-stoffen op de werkplek.  

 

De huidige Europese wet- en regelgeving om werknemers te beschermen tegen de gevolgen van blootstelling aan chemische stoffen bestaat uit twee richtlijnen: de Chemicals Agents Directive (CAD) en de Carcinogens and Mutagens Directive (CMD). De CAD-richtlijn bevat regels voor het omgaan met vrijwel alle gevaarlijke chemische stoffen op het werk, inclusief reprotoxische stoffen. Deze stoffen hebben een schadelijk effect op de voortplanting van mensen. De CMD-richtlijn geldt uitsluitend voor chemische stoffen die kankerverwekkend of mutageen zijn en in categorie 1A of 1B vallen onder de Europese CLP-verordening.

Sinds de invoering van de CMD-richtlijn in 2004 discussiëren lidstaten, Europese Commissie, werkgevers en werknemers over de vraag of er niet één EU-richtlijn voor CMR-stoffen zou moeten komen. Tot op heden ontbreekt een eenduidig Europees antwoord. Chemiebedrijven hebben hierdoor in Europa met een lappendeken aan regels te maken, stelt Steven Van de Broeck, directeur HSE & Responsible Care van Cefic. “Zo hebben Frankrijk en België de regels voor kankerverwekkende en mutagene stoffen ook van toepassing gemaakt op reprotoxische stoffen. Duitsland ook, maar slechts tot op zekere hoogte.”

Nederland maakt eveneens onderscheid tussen de omgang met kankerverwekkende en mutagene stoffen aan de ene kant en reprotoxische stoffen aan de andere kant. Chemiebedrijven moeten daarom aparte maatregelen nemen voor de drie soorten stofgroepen. Dat zorgt weer voor onnodige administratieve lasten. Bovendien sluiten de huidige CAD-en CMD-richtlijnen niet aan op de REACH-wetgeving, waarbij CMR-stoffen wel als één categorie worden gezien.

 

 

 

Beschermingsniveau verschilt
Ook de werknemers in Europa zijn niet gebaat bij de lappendeken aan regels, benadrukt Tony Musu, onderzoeker op de afdeling Health and Safety van het European Trade Union Institute (ETUI).  “Ze hebben nu immers niet overal hetzelfde beschermingsniveau. Sommige landen hebben bij de omzetting van de CMD-richtlijn in nationale wet- en regelgeving de reprotoxische stoffen toegevoegd. Maar in andere landen is dat niet het geval. Bedrijven die met reprotoxische stoffen werken moeten in het ene land dus strengere maatregelen nemen dan in het andere land om de blootstelling van werknemers aan dergelijke stoffen te voorkomen.”

De discussie over het opstellen van één Europese richtlijn voor CMR-stoffen laaide twee jaar geleden weer op bij de evaluatie van Europese arboregels voor carcinogene stoffen. De Europese Commissie heeft vervolgens een consultant ingehuurd om te onderzoeken of reprotoxische stoffen al dan niet onder de CMD-richtlijn zouden moeten worden opgenomen. De consultant bracht vijf scenario’s in kaart, variërend van er verandert niets tot uitbreiding van de CMD-richtlijn met reprotoxische stoffen. Geen van de vijf scenario’s voldoet echter precies aan de wensen van de Europese werkgevers- en werknemersorganisaties in de chemische industrie en de vakbonden.

 

‘Bedrijven die met reprotoxische stoffen werken moeten nu in het ene land strengere maatregelen nemen dan in het andere’

 

Gezamenlijke verklaring
Werkgevers en werknemers in de chemische industrie namen daarom het initiatief om een gezamenlijke verklaring op te stellen met als doel te komen tot een gemeenschappelijke visie over een toekomstig geharmoniseerd Europees wettelijk kader voor CMR-stoffen. De belangrijkste wens is dat er één Europese richtlijn komt voor CMR-stoffen in categorie 1A en 1B in lijn met de CLP-verordening. Verder moeten in principe de huidige preventie- en controlemaatregelen volgens de arbeidshygiënische strategie voor alle CMR-stoffen gelden.

Het betekent dat bedrijven deze stoffen moeten vervangen wanneer het technisch mogelijk is. Wanneer vervanging niet mogelijk is, moeten bedrijven kijken of ze de stoffen kunnen toepassen in een gesloten procesinstallatie. Wanneer een gesloten systeem niet kan, moet de werkgever maatregelen nemen om de blootstelling van de werknemer zo laag mogelijk te houden, bijvoorbeeld door specifieke persoonlijke beschermingsmiddelen, zoals ademhalingsmaskers, te verstrekken. Nieuw is dat de sociale partners daarnaast voorstellen dat er een verschil wordt gemaakt tussen CMR-stoffen met en zonder een veilige grenswaarde. Hierbij gaat het om de maximaal toegestane concentratie van een (gevaarlijke) stof waaraan een werknemer blootgesteld mag worden (zie kader).

 

‘Werknemers zijn straks beter beschermd en voor werkgevers is het eenvoudiger om aan de regels te voldoen’

 

Beslissing 
De Europese Commissie zal mogelijk al begin 2019 een beslissing nemen welk scenario ze gaat uitvoeren. Gezien de Europese verkiezingen van volgend jaar ligt het voor de hand dat de nieuwe Commissie, die in november 2019 van start gaat, het onderwerp verder zal oppakken.

Van de Broeck en Musu benadrukken dat het nog niet zeker is dat de Europese Commissie het voorstel van de sociale partners om tot één CMR-richtlijn te komen, zal opvolgen. De Commissie vindt het volgens Van de Broeck een interessant scenario en heeft de consultant gevraagd om de effecten door te rekenen. De gezamenlijke verklaring van de sociale partners is volgens beiden een belangrijk signaal aan Brussel om de voorstellen ook uit te werken. “De kans is groot dat er uiteindelijk één CMR-richtlijn komt nu werkgevers, werknemers en vakbonden zich hierover duidelijk hebben uitgesproken”, verwacht Musu.

 

VNCI: ‘Een pragmatische aanpak’
Volgens Dirk van Well, senior beleidsmedewerker Stoffen en arbeidshygiëne van de VNCI, is de voorgestelde aanpak voor zowel werkgevers als werknemers een flinke verbetering ten opzichte van de huidige regels. Naast het voordeel dat deze aanpak beter aansluit bij REACH en CLP, wijst Van Well op nog een verbetering. “De huidige CMD-richtlijn maakt geen onderscheid tussen stoffen met  en zonder veilige drempelwaarde. In het voorstel kiezen de partijen voor een pragmatische aanpak waarbij wel onderscheid wordt gemaakt tussen stoffen met en zonder een veilige drempelwaarde (waarvoor de bestaande minimalisatie blijft gelden). Neem formaldehyde, een stof waarvoor een veilige drempelwaarde is vastgesteld door onder andere het Scientific Committee on Occupational Exposure Limits (SCOEL). Op dit moment geldt, ondanks die veilige drempelwaarde, voor formaldehyde een ongeclausuleerde verplichting om de blootstelling te minimaliseren tot zo ver mogelijk onder de wettelijke (en als veilig beoordeelde) blootstellingsgrens.”

Van Well is daarom blij met het voorstel. “Ik denk dat deze verklaring gezaghebbend is. De CMRD zal zich in de komende jaren verder ontwikkelen. Zo zal op korte termijn een geharmoniseerde methodologie voor de wetenschappelijke beoordeling ten behoeve van grenswaarden worden ontwikkeld. Ook dat draagt bij aan een level playing field.”

 

FNV: ‘Win-winsituatie voor werkgevers en werknemers’
Sommige industriële sectoren in Europa hebben zich jarenlang verzet tegen de uitbreiding van de CMD-richtlijn met reprotoxische stoffen, stelt beleidsmedewerker Wim van Veelen van de FNV. Ze waren volgens hem vooral bang voor de kostbare maatregelen om personeel tegen de blootstelling aan reprotoxische stoffen te beschermen. Hij wijst erop dat er in Europa (ook in Nederland) negatieve publiciteit is geweest over bedrijven die werknemers in het verleden op een onverantwoorde wijze aan reprotoxische stoffen hebben blootgesteld. Daarom hoopt Van Veelen dat de Europese Commissie de aanpak van de Europese werkgevers- en werknemersorganisaties en vakbonden overneemt. Dat brengt niet alleen voor de werknemers en de werkgevers, maar ook voor de handhavende instanties voordelen met zich mee. “Werknemers zijn straks beter beschermd en voor werkgevers is het eenvoudiger om aan de regels te voldoen. Ze hoeven bijvoorbeeld stoffen niet meer op verschillende manieren te registeren. Van de Arbeidsinspectie begreep ik dat ook de handhaving eenvoudiger zal zijn.”

Van Veelen benadrukt dat nog niet zeker is of de Europese Commissie de gezamenlijke verklaring overneemt. “Maar de kansen hierop zijn wel toegenomen omdat de sociale partners er samen achter staan.” Bovendien past het volgens hem in de richting die Brussel wil inslaan: minder administratieve lasten voor bedrijven en een veilige en gezonde werkplek voor werknemers. “Daar kan toch niemand tegen zijn?”, besluit Van Veelen.

 

Dit artikel verschijnt in de decembereditie van Chemie Magazine


Lees meer over dit onderwerp via de tag(s):
Chemie Magazine

Onderdeel van dossier(s):