Industrie helpt Nederland van het gas af


Het kabinet wil dat Nederland per 2050 van het aardgas af is om de CO2-uitstoot te reduceren. De (petro)chemische industrie kan hierbij een grote rol spelen door restwarmte te leveren voor stadsverwarming. Shell, SABIC en Dow zetten al stappen in die richting, maar stellen ook dat steun van de overheid essentieel is om restwarmte-projecten van de grond te krijgen.

 

In het kort

  • Minder aardgasverbruik en CO2-uitstoot door levering restwarmte (petro)chemie aan woningen en bedrijven
  • Shell en SABIC zijn er al mee bezig, Dow rondt over half jaar haalbaarheidsonderzoek af.
  • De CO2-reductie mogen zij niet aftrekken van de eigen CO2-uitstoot, waardoor andere projecten moeilijk van de grond komen.

 

Door: Adriaan van Hooijdonk

Restwarmte (petro)chemie kan nog veel beter benut worden

Chemiebedrijven koelen in productieprocessen hun producten af met ventilatoren en water voor ze worden opgeslagen in tanks en silo’s. De restwarmte die hierbij vrijkomt, hergebruiken ze maximaal in de processen. Er komt een moment dat ze er door de lage temperaturen niets meer mee kunnen. Dan lozen ze de restwarmte, net als bij een ventilator in de auto, naar de lucht of als koelwater naar het oppervlaktewater. Dat is zonde, want met de restwarmte kunnen ze via warmtewisselaars het water opwarmen, zodat het geschikt is om woningen en bedrijven te verwarmen. Daardoor is er minder gas nodig en daalt de CO2-uitstoot. Chemiebedrijven kunnen zo een belangrijke rol spelen om het belangrijkste doel van het klimaatakkoord te halen: in 2050 90 procent minder CO2-uitstoot dan in 1990.

 

Weinig projecten

Hergebruik van restwarmte van de (petro)chemische industrie in de bebouwde omgeving is dus een uitstekende en duurzame manier om de beoogde 7 miljoen woningen en 1 miljoen gebouwen in 2050 van het aardgas af te krijgen. Maar hoe komt het dan dat er nog zo weinig projecten zijn? En dat veel initiatieven een stille dood zijn gestorven? Dat heeft meerdere oorzaken, stellen de betrokken bedrijven. Marc Zwart, energy and utility technology manager bij Shell Pernis, benadrukt hoe belangrijk het is dat partijen tegelijkertijd en gezamenlijk optrekken in een project. “Wij kunnen restwarmte aanbieden, maar als er geen vraag is, gebeurt er niets. Omgekeerd geldt hetzelfde.”

Daarnaast is het lastig om een sluitende businesscase te krijgen. De investeringen zijn vaak niet rendabel voor de betrokken partijen. Bovendien is er geen warmtemarkt, dus hoe reken je dan een waarde toe aan de energie die in restwarmte zit? Ook is er vaak een mismatch tussen vraag en aanbod. Zo gaat de warmteproductie het hele jaar door, terwijl de vraag naar warmte voor ruimteverwarming seizoensgebonden is. En wie investeert in de benodigde hardware, zoals een pijpleiding? Zwart: “Een petrochemiebedrijf gaat dat pas doen als de vraag helemaal duidelijk is.”

Waarom is het in Rotterdam dan wel gelukt? Het hielp dat het Havenbedrijf in samenwerking met Warmtebedrijf Rotterdam de aanleg van de pijpleiding van Shell naar Rotterdam heeft gerealiseerd. Bovendien lag het warmtenet van Warmtebedrijf Rotterdam er al, zodat het om een uitbreiding op het bestaande warmtenet gaat. Daarnaast komt Shell hiermee een deel van zijn afspraak met de overheid na om een extra stap te zetten om energie te besparen.  

 

Shell Pernis

De raffinaderij van Shell in Pernis levert sinds 2018 restwarmte aan het warmtebedrijf in Rotterdam. Dat gebeurt via een pijpleiding die – buiten het terrein van Shell Pernis – door het Havenbedrijf is aangelegd. Shell plaatste vier warmtewisselaars op de raffinaderij en bouwde een intern watercircuit. De warmtewisselaars zijn nodig om het water op de juiste temperatuur voor het warmtenet te brengen: maximaal 120 graden Celsius. Wanneer het warmtenet op de maximale capaciteit draait, is er genoeg warm water voor 16.000 huishoudens, goed voor een jaarlijkse CO2-reductie van 35.000 ton.

Fotobijschrif: September 2018 gaven Havenbedrijf Rotterdam, Warmtebedrijf Rotterdam en Shell het officiële startschot voor het Pernis Restwarmte Initiatief.

 

Samen optrekken

Bert Bosman, senior specialist duurzaamheid bij SABIC, wijst eveneens op het belang van tegelijkertijd en gezamenlijk optrekken. “Bij SABIC gaat het om een samenwerking met lokale overheden, Het Groene Net en woningbouwcorporaties. Partijen die normaal gesproken niet veel met elkaar praten.” Daarom zochten SABIC en de andere partijen stapje voor stapje naar een oplossing (zie kader). “Het Groene Net investeert in de aanpassingen bij SABIC, zoals de warmtewisselaars”, licht Bosman toe. “In ruil hiervoor krijgen ze het warme water gratis. Met steun van de lokale en landelijke overheid kunnen we de leiding aanleggen die nodig is voor het transport naar de woningen en bedrijven.”

Kees Biesheuvel, innovatiemanager bij Dow in Terneuzen, stelt eveneens dat het lastig is om projecten van de grond te krijgen omdat er zoveel verschillende partijen bij zijn betrokken. “Die moeten inderdaad tegelijkertijd actie ondernemen en investeren. De partijen moeten hun belangen gediend zien en risico’s kunnen inschatten. Bedrijven moeten bovendien een verdienmodel hebben. Voor de overheid is dat niet het geval.” Hij verwacht dat een haalbaarheidsstudie naar de aanleg van een warmtenet in de Kanaalzone over een half jaar is afgerond (zie kader). “Dan moet duidelijk zijn of het doorgaat. De eerste berekeningen laten zien dat het financieel mogelijk is. Ook technisch is het geen probleem. Maar we hebben wel de juiste verdienmodellen nodig. En financiering, bijvoorbeeld van pensioenfondsen of via een Europese subsidie om het rendabel te maken.”

 

Stimulans

De overheid focust in de (petro)chemische industrie vooralsnog op de CO2-reductie die chemiebedrijven zélf realiseren. Dat geldt ook voor andere sectoren, zoals de energiesector en de gebouwde omgeving. De CO2-reductie die chemiebedrijven in de bebouwde omgeving realiseren, mogen ze nog niet aftrekken van de eigen CO2-uitstoot. Daarom pleiten Shell, SABIC en Dow ervoor dat ze dit wél mogen doen. Dat zou volgens de bedrijven een enorme stimulans zijn om meer projecten van de grond te krijgen. Kees Biesheuvel van Dow noemt Denemarken als lichtend voorbeeld. “Warmte is daar een primaire levensbehoefte waarin de overheid wettelijk moet voorzien. De overheid krijgt zo een andere rol, bijvoorbeeld bij de aanleg van de benodigde warmte-infrastructuur. Daarom zie je onder meer in Kopenhagen veel meer warmtenetten dan hier.”

Marc Zwart van Shell wijst eveneens op het belang van een stimulerende en besluitvaardige overheid. “Het gaat zeker niet alleen om geld om dit soort projecten te realiseren. De overheid moet ook besluiten durven te nemen.” Daarom spreekt hij van een goede ontwikkeling bij een megaproject van onder meer de Gasunie: de aanleg van een warmtenet van de Rotterdamse haven richting Den Haag (Leiding door het Midden). Daarmee kunnen straks woningen en bedrijven in de Randstad worden verwarmd, maar ook bijvoorbeeld kassen in het Westland. Dat scheelt tonnen CO2 die de lucht in gaan, omdat de huizen en tuinbouw nu nog afhankelijk zijn van gas.

 

SABIC Geleen

SABIC in Geleen bracht tijdens de laatste onderhoudsstop in november in een destillatiekolom een T-stuk aan om de aansluiting op het warmtenet (Het Groene Net) in 2020 mogelijk te maken. SABIC gebruikt nu ventilatoren om de warmte uit de kolom af te koelen. De restwarmte verdwijnt in de lucht. SABIC installeert in 2020 warmtewisselaars bij de kolom om de restwarmte op te vangen. Hiermee kan het chemiebedrijf heet water (90 graden Celsius) maken om het aan Het Groene Net te leveren. Deze organisatie is in 2015 opgericht en gebruikt sinds 2016 ook restwarmte van de biomassacentrale BES. Inmiddels zijn circa 650 woningen en 25 bedrijven en instellingen op Het Groene Net aangesloten. Om de aansluitingen uit te breiden in Sittard-Geleen, Beek en Maastricht en andere gemeentes is ook de restwarmte van SABIC nodig. Wanneer het Groene Net in 2033 volledig draait, levert dat een enorme besparing van aardgas op en een CO2-reductie van 47.000 ton.

Fotobijschrift: SABIC in Geleen bracht in november in een destillatiekolom een T-stuk aan om de aansluiting op het warmtenet mogelijk te maken. V.l.n.r.: Daniel Moenis, projectmanager; Rogier Dieteren, directeur Het Groene Net Ontwikkel; Bert Bosman, senior specialist duurzaamheid SABIC; Rik Neyens, projectmanager SABIC.

 

Dow Terneuzen

Dow in Terneuzen rondt over een half jaar een haalbaarheidsstudie af naar de aanleg van een warmtenet in de Kanaalzone, van Terneuzen tot Gent, gevoed met industriewater. Het dorp Hoek dient als pilot. De restwarmte komt op verschillende plaatsen in de plant vrij. Dow hergebruikt het zoveel mogelijk, maar als de restwarmte een temperatuur bereikt van 40 graden Celsius kost het te veel energie om het naar 150 graden te brengen. Daarom onderzoekt Dow of het water van 40 graden bruikbaar is als vloerverwarming voor de bewoners in Hoek. Dat is wellicht een te lage temperatuur voor de winter. Bewoners kunnen een warmtepomp plaatsen om het water naar een temperatuur van 60 graden te brengen. Voor het transport van het warme water van Dow naar Hoek moet een nieuwe leiding worden gelegd. Yara, Cargill en ArcelorMittal (in Gent) kunnen wellicht ook restwarmte leveren om de leveringszekerheid te kunnen garanderen. Dow onderzoekt momenteel wie welke rol in het project kan spelen. Ook kijkt het chemiebedrijf naar businessmodellen, zoals gratis levering van warm water. Uit de eerste berekeningen blijkt dat er ruimschoots voldoende restwarmte beschikbaar is voor de bebouwde omgeving in de Kanaalzone: honderden megawatts.