Dierproeven zo veel mogelijk vervangen


01 - 03 - 2014

Nadruk leggen op ontwikkeling van alternatieve testen

Wetgeving bepaalt dat dierproeven nodig zijn om medicijnen en andere chemische stoffen te testen op schadelijke effecten op gezondheid en milieu voordat deze stoffen op de markt komen.

De VNCI is in principe tegen dierproeven waar die voorkomen kunnen worden. De VNCI deelt de toenemende zorg in de maatschappij over dierexperimenteel onderzoek. De testen zijn bovendien niet altijd waterdicht, onder meer omdat stoffen anders op een dier kunnen uitwerken dan op de mens. Het aantal testen op proefdieren neemt deze jaren ook nog eens sterk toe door de invoering van REACH, de Europese regelgeving die registratie verplicht van circa 30.000 chemische stoffen.

Om dierproeven te voorkomen, participeren de VNCI en haar leden in internationale programma’s gericht op het ontwikkelen van alternatieve proeven en op vermindering van dierproeven door wederzijdse erkenning van testgegevens in verschillende werelddelen.

In Nederland wordt circa 45% van alle proefdieren gebruikt voor wetenschappelijk onderzoek. 45% wordt gebruikt voor ontwikkeling van geneesmiddelen, circa 5% voor toxicologisch onderzoek waarvan de helft voor onderzoek naar industriële chemicaliën (overig: voedselveiligheid, biociden en gewasbeschermingsmiddelen, bepaling milieukwaliteit etc.). De overige 4% komt voor rekening van diagnostiek en onderwijs en training.