20 - 08 - 2019

Klimaatakkoord gaat volgende fase in

Nog veel werk aan de winkel

Na de presentatie van het klimaatakkoord op 28 juni worden komend najaar verschillende wetgevende en ondersteunende trajecten opgestart. Veel is nog onduidelijk en het venijn zit in de details.

Tekst: Igor Znidarsic

 

Op 28 juni presenteerde het kabinet het langverwachte ‘klimaatakkoord’. Het is helaas geen breed gedragen maatschappelijk akkoord geworden, maar een ‘politiek akkoord’, met in de optiek van de VNCI en de industrie vele haken en ogen. Het kent ‘wortels’ (verleiding), maar ook ‘stokken’ (verplichtingen). “Dit klimaatakkoord bevat vooral beleidsvoornemens”, zegt Martijn Broekhof, hoofd Energie & klimaat bij de Koninklijke VNCI. “Die moeten nu verder worden uitgewerkt. Het ministerie van EZK gaat daarin het voortouw nemen, maar heeft de industrie nodig om mee te denken.” Na de zomer, als Den Haag terug is van reces, worden de verschillende wetgevende en ondersteunende trajecten opgepakt. De VNCI zal de leden hier actief bij betrekken.

De belangrijkste verandering ten opzichte van het eerdere ontwerp-klimaatakkoord is de prominente rol voor de, zoals het kabinet het noemt, ‘verstandige CO2-heffing’. Deze heffing wordt geheven over de vermijdbare CO2-uitstoot. Zolang bedrijven hun CO2-reductiecurve kunnen volgen – en CO2-reductiemaatregelen kunnen nemen – hoeven ze de heffing niet te betalen. Ook worden CO2-reductiemaatregelen en energie-efficiëntie met een terugverdientijd van minder dan 5 jaar na 2020 verplicht.

 

Investeren

De verdere uitwerking van de CO2-heffing zal cruciaal zijn voor de werking en effectiviteit van het hele klimaatpakket, omdat het samenhangt met investeringsmogelijkheden van bedrijven. Broekhof: “De bedrijven die onder de heffing vallen, de ETS-bedrijven, kunnen alleen de CO2-reductie halen als ze de ruimte krijgen om te investeren. Daarbij moet bijvoorbeeld rekening worden gehouden met het moment van investeren en de beschikbaarheid van bepaalde technologieën, bijvoorbeeld tijdens een toekomstige turnaround. Het bedrijf zou dan uitstel van betaling moeten krijgen. Er moet kortom samenhang zijn tussen subsidie en heffing en de bedrijfsspecifieke omstandigheden.”

Ook is nog niet exact duidelijk wat de grondslag van de CO2-heffing gaat worden. Er wordt rekening gehouden met de ETS-benchmarks. “Maar de vraag is hoever je komt als iedereen richting die benchmarks beweegt. Heb je dan voldoende CO2 gereduceerd, of moet je meer doen?”

Via regionale koplopersprogramma’s kan binnen de industrieclusters mogelijk extra CO2-reductie worden gerealiseerd, boven de ETS-benchmarks. Dit traject wordt na de zomer opgestart.

 

Stimuleringsregeling

De verbreding van de SDE+ (Subsidie Duurzame Energie) naar Stimuleringsregeling Duurzame Energietransitie (SDE++) uit het ontwerpakkoord is gebleven. Deze regeling voor ETS-bedrijven is niet alleen van toepassing op duurzame energie, maar ook op CO2-reducerende technieken in de industrie, door de onrendabele top van deze technieken te vergoeden. Dit zal door middel van een exploitatiesubsidie gebeuren. Hiervoor is een budget oplopend naar 550 miljoen euro per jaar in 2030 beschikbaar, om de industrie te ondersteunen.

Na de zomer gaat het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) een voorstel doen voor de eerste openstelling van SDE++ in 2020. Broekhof: “Na een korte consultatie volgen er expertgesprekken: hoe bepaal je de emissiefactoren voor technologieën die zich niet richten op hernieuwbare energie maar op CO2-reductie, de basisbedragen en overige voorwaarden voor subsidieaanvraag?” De VNCI levert de nodige input tijdens deze consultatieronde.

 

Infrastructuur

Naast de wetgevende trajecten start dit najaar ook een ‘ondersteunend’ traject, gericht op de infrastructuur die nodig is voor een geslaagde industrietransitie. Broekhof: “Als je wilt gaan verduurzamen moet daarvoor de infrastructuur aanwezig zijn. CCS-infrastructuur als je CCS wilt gaan toepassen, een elektranetwerk als je gaat elektrificeren etc. Deels kan de industrie dat zelf regelen, deels ben je voor de aanleg afhankelijk van overheid en semioverheid.” Een taskforce, een publiek-private samenwerking, gaat de komende tijd een inventarisatie maken. “Probleem is dat je pas kunt bepalen welke infrastructuur nodig is als je weet welke projecten er worden gerealiseerd. Daarom is het nodig dat onze leden meepraten en aangeven aan welke projecten zij denken. Je moet er een beeld bij hebben: op welk moment is bepaalde infrastructuur met een bepaalde zekerheid nodig?”

Dit traject zal invloed hebben op het traject van de CO2-heffing, stelt Broekhof. “Want je kunt niet heffen als de infrastructuur nog niet klaar is. Zo zie je dat alle elementen aan elkaar gelinkt zijn. Je moet ze bij elkaar brengen. In het klimaatakkoord zoals wij dat voor ogen hadden, had dat gekund. Met het klimaatakkoord dat er nu ligt ga je individuele wetgevingstrajecten in, en dan moet je maar hopen dat het uiteindelijk allemaal met elkaar in balans komt.”

 

Twee derde

Voor klimaatinnovatie komt straks jaarlijks 100 miljoen euro overheidsgeld beschikbaar (waar het bedrijfsleven een even groot bedrag bijlegt). Hierbij is de vraag of de bestaande beleidsinstrumenten en structuren, zoals het topsectorenbeleid, voldoen aan de nieuwe innovatie-eisen. “We moeten ze zo vormgeven dat bedrijven makkelijk kunnen aanhaken en dat we noodzakelijke innovaties voor de transitie na 2030 echt vooruithelpen”, aldus Broekhof.

Ook onduidelijkheid is er nog rond de ODE (Opslag Duurzame Energie), in 2013 ingevoerd om de investering in duurzame energie te stimuleren. Uit de ODE wordt de SDE++ gefinancierd. Op dit moment is de verhouding industrie-burger in de ODE fiftyfifty. De minister heeft bepaald dat de burger minder (een derde van het totaal) gaat betalen en de industrie meer (twee derde). Hiertoe worden de huidige tarieven aangepast. Broekhof: “We weten dat de ODE voor onze leden een belangrijk onderwerp is. De lastenverzwaring als gevolg van deze wijziging zal echter niet voor al onze leden even zwaar zijn. Vanwege mededingingsregels is niet bekend hoeveel individuele bedrijven afdragen, maar de onderlinge verschillen kunnen groot zijn, onder meer vanwege vrijstellingen. We willen graag inventariseren of onze leden niet onevenredig hard geraakt worden door deze verzwaring.” Dit traject gaat de VNCI samen met VNO-NCW oppakken.

De uitwerking van het klimaatakkoord naar werkbare wet- en regelgeving zal dus nog wel enige tijd vergen. “Er is nog heel veel werk aan de winkel”, aldus Broekhof.

Ministers Eric Wiebes (EZK), Carola Schouten (LNV) en Kasja Ollongren (BZK) en staatssecretaris Stientje van Veldhoven (IenW) tijdens de presentatie van het klimaatakkoord.

Foto: Phil Nijhuis/Hollandse Hoogte


Lees meer over dit onderwerp via de tag(s):
Klimaatakkoord

Onderdeel van dossier(s):