08 - 06 - 2016

VNCI vindt conclusies IenM voorbarig. Oorzaken overschrijdingen risicoplafonds Basisnet Spoor nog niet bekend

De CTGG (Commissie Transport gevaarlijke Goederen) heeft, ook namens de VNCI, in een brief aan IenM haar zorgen geuit over de communicatie van het ministerie over overschrijdingen van de risicoplafonds van Basisnet. De oorzaken van de overschrijdingen worden niet genoemd, terwijl de verantwoordelijkheid hiervoor wel bij het bedrijfsleven wordt neergelegd.

Op 26 mei maakte de staatsecretaris Dijksma van IenM in een brief aan de Tweede Kamer bekend dat de risicoplafonds van Basisnet (een landelijk aangewezen netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen) worden overschreden. Het gaat vooral om de Brabantroute (vanuit Rotterdam Kijfhoek, Dordrecht, Breda, Tilburg, Eindhoven, Venlo en vice versa) en de route Oost-Nederland (via onder andere Amersfoort en de grensovergang Oldenzaal). De VNCI vindt het voorbarig dat IenM de verantwoordelijkheid van de overschrijdingen eenzijdig bij het bedrijfsleven legt, zonder de oorzaak van de overschrijdingen te benoemen. Ook is de VNCI verbaasd dat vervoerders die via de Betuweroute, de hoofdroute voor gevaarlijke stoffen naar Duitsland, goederen willen vervoeren geregeld geen toestemming krijgen van de Duitse netbeheerder DB Netze (de Duitse ProRail) om gebruik te maken van de vervolgroute op Duits grondgebied. Derhalve moeten vervoerders wel uitwijken naar de beide omrijroutes. Aangezien in het Basisnet afgesproken is om de Betuweroute als hoofdroute voor het vervoer van gevaarlijke stoffen te gebruiken, is het dus vreemd dat die route in de praktijk niet altijd gebruikt kan worden. De brief van CTGG stelt verder ook dat het dreigement om bepaalde trajecten af te sluiten een veel te overhaaste conclusie is. Het sluiten van spoortrajecten heeft een grote economische impact omdat de bereikbaarheid via het spoor van chemieclusters zoals Chemelot wel gewaarborgd moet worden.

Een ander probleem zijn de stremmingen gedurende de komende zeven jaar door de uitbreiding van het zogeheten 3e spoor in Duitsland. Daarbij wordt de Betuweroute doorgetrokken tussen de Nederlandse grens en Oberhausen, zodat de capaciteit van de Betuweroute wordt verhoogd. De VNCI vindt dat IenM vorig jaar te makkelijk heeft gesteld dat bij stremming van die route de vervoerders kunnen omrijden via de Brabantroute en de route Oost-Nederland zonder daarbij de risicoplafonds van Basisnet te overschrijden. Daarnaast kunnen transportstromen door diverse omstandigheden, zoals een lage waterstand in de Rijn, behoorlijk fluctueren, het Basisnet blijkt echter op sommige routes hier geen rekening mee te houden en te star te zijn vastgesteld. IenM lijkt nu ten onrechte de indruk te wekken dat het vervoer van gevaarlijke stoffen onveilig is. Met een aantal bovenwettelijke afspraken, zoals het Warme Bleve-convenant, is het vervoer juist veiliger dan in de ons omringende landen.

Om de onrust bij een aantal gemeente langs de Brabantroute en Oost-Nederland weg te nemen, heeft de staatsecretaris afgelopen maandag in Eindhoven een nadere toelichting gegeven op de brief van 26 mei en daarbij ook de toezegging gedaan om op korte termijn te onderzoeken waar de overschrijdingen vandaan komen. Het bedrijfsleven hoopt daarna in overleg met het ministerie tot pragmatische oplossingen te komen om het vervoer van gevaarlijke stoffen per spoor op een verantwoorde manier doorgang te laten vinden.

Daarnaast is het volgens de VNCI noodzakelijk dat er nu eens serieus werk wordt gemaakt van de risicocommunicatie rond het Basisnet Spoor. Berichten in de media over ‘verboden stoffen’ die ‘helemaal niet’ over bepaalde routes hadden mogen rijden, geven aan dat het Basisnet gezien wordt als een wet waarin hoeveelheden ketelwagens liggen vastgelegd, terwijl het in werkelijkheid om risicoplafonds gaat.