Invoering Omgevingswet een half jaar uitgesteld

Bij de Omgevingswet is steeds het uitgangspunt geweest dat bij de inwerkingtreding de dienstverlening aan inwoners en ondernemers op peil blijft. Het blijkt nu dat er meer tijd nodig is om zo’n verantwoorde start te kunnen bieden waarbij vergunningverlening en belangrijke gebiedsontwikkelingen ongehinderd kunnen doorgaan. Daarom heeft demissionair minister van Binnenlandse Zaken Ollongren aan de Eerste en de Tweede Kamer voorgesteld om de inwerkingtreding van de Omgevingswet, oorspronkelijk gepland voor 1 januari 2022, uit te stellen tot 1 juli 2022.

 

Een half jaar uitstel geeft meer tijd om het digitale systeem (Digitale Stelsel Omgevingswet, DSO) op te leveren, in te regelen en stabiel werkend te krijgen. Het DSO is een samenspel van een landelijk deel met onderdelen van bevoegde gezagen. Het geheel moet in elkaar passen en aangesloten zijn, zodat bevoegde gezagen kunnen werken met het hele systeem. Volgens de betrokken partijen is een half jaar extra een verantwoorde keuze.

Naast de techniek die door overheden in praktijk beproefd moet zijn, is er tijd nodig voor burgers en gebruikers om ermee te kunnen werken. Daarvoor is ook een half jaar gereserveerd. Dat betekent dat vanaf 1 januari 2022 een stabiele versie van de wet en regelgeving beschikbaar is. Die wetgeving is grotendeels al beschikbaar via de IPLO.nl. Daar staan werkversies waarin de laatste aanvullingen in reeds gepubliceerde versies tot geconsolideerde teksten zijn verwerkt .

Het uitstel betekent dat bedrijven langer de tijd hebben om zich op de komst van de Omgevingswet voor te bereiden. Zij zullen zich het nieuwe systeem immers eigen moeten maken. Het nieuwe systeem omvat één wet met alle regels over de fysieke leefomgeving. Daaronder vallen vier  Besluiten en een Ministeriele regeling. Daarnaast moeten bedrijven bezien in hoeverre de nieuwe regels voor hun activiteiten verschillen van de huidige en wat het overgangsrecht daarover bepaalt.

Omdat een deel van de regels wordt gedecentraliseerd, is het ook zaak de lokale plannen in het oog te houden. Wat staan de omgevingsvisies en -plannen in de buurt van een bestaand bedrijf toe aan nieuwe ontwikkelingen of voor de onderwerpen geur, geluid en trillingen, die geheel naar decentraal niveau zijn gebracht? Zijn Brzo/Bevi-bedrijven als risicobron genoemd in die plannen? Ook relevant is de vraag of er windturbines in de buurt van Brzo-bedrijven mogelijk worden. Daarover loopt momenteel een internetconsultatie waar de VNCI met haar leden over heeft gecommuniceerd.