03.12.2020

DCMR-directielid Maarten de Hoog deelt zijn inzichten


In het kort

  • Na 18 jaar DCMR Milieudienst Rijnmond is directielid Maarten de Hoog met pensioen.
  • Hij ziet drive en bereidheid bij de Nederlandse chemie om milieumaatregelen te nemen.
  • En gelooft erin dat zij de CO2-uitstoot naar nul weet te reduceren en blijft bestaan.

 

Maarten de Hoog, directielid DCMR Milieudienst Rijnmond, ging in oktober na 18 jaar bij de organisatie met pensioen. “Ik heb geleerd dat je de chemische industrie de tijd moet geven om milieumaatregelen te nemen”, blikt hij terug. “Uiteindelijk bewegen ze mee met de wensen van de samenleving.”
 

Tekst: Adriaan van Hooijdonk
Op de eerste dag van zijn nieuwe baan als adjunct-secretaris van de Koninklijke Nederlandse Chemische Vereniging (KNCV) in september 1984 vond in het Indiase Bhopal de grootste industriële ramp ooit plaats. Door het vrijkomen van 40.000 kilo methylisocyanaat uit een fabriek van Union Carbide kwamen naar schatting tussen de 5000 en 15.000 mensen door blootstelling aan het gas uiteindelijk om het leven. “Internet bestond niet”, herinnert Maarten de Hoog zich, die afgelopen oktober met pensioen ging als directielid DCMR Milieudienst Rijnmond.KNCV-leden wilden weten wat voor fabriek het was en hoe de ramp kon gebeuren. Daarom nam ik contact op met de vestiging van Union Carbide in Antwerpen voor meer informatie. Die kreeg ik meteen om met de KNCV-leden te delen.”

De ramp maakte een diepe indruk op de jonge chemicus De Hoog. Ook had die een effect op de manier waarop hij in zijn 18-jarige loopbaan als hoofd vergunningverlening procesindustrie tegen het belang van veiligheid in de chemische industrie aankeek. “Ook de chemiebedrijven zelf zijn anders tegen veiligheid en milieu aan gaan kijken. De aandacht hiervoor komt nu veel meer uit de bedrijven zelf. Om hun license to operate te behouden, moeten niet alleen de overheid, maar alle stakeholders tevreden zijn. De bedrijven realiseren zich dat veel beter dan voorheen.”

 

Schonere lucht

De Hoog verwijst naar het succes van het Nationaal Milieubeleidsplan uit 1989. Toen begon een nieuwe periode in de beleidsinspanningen van de overheid om de milieu-impact van industriële sectoren te reduceren. “Ik was in 1990 net gestart als hoofd van de afdeling industrie bij VROM. Wij voelden goed aan dat de ambitieuze plannen alleen zouden slagen met de medewerking van de industrie. Alle veranderingen afdwingen met wet- en regelgeving was onbegonnen werk. De regels waren er niet eens.”

VROM deed een moreel appel op de bedrijven om via de VNCI vrijwillige afspraken met de overheid te maken. Ondernemingen die de afspraken niet ondertekenden kregen de maatregelen via de vergunning opgelegd. De convenanten bleken een groot succes. “Ik heb geleerd dat je met de chemische industrie en de VNCI goede afspraken kunt maken. Regels zonder draagvlak hebben immers geen effect. Sommigen vergeten het weleens, maar de lucht in de Rijnmond is sinds het begin van de jaren 90 veel schoner geworden. De uitstoot van stikstof, fijnstof en zwavel is fors gedaald.” Ook op het gebied van proces- en arbeidsveiligheid zijn grote stappen gemaakt. “Wanneer ik een chemiebedrijf bezocht, was ik altijd blij binnen de poorten te zijn. De kans op een ongeluk is immers veel kleiner dan op de weg ernaartoe, vertelde ik soms op lezingen.”
 

‘Ik heb geleerd dat je met de chemische industrie en de VNCI goede afspraken kunt maken’
 

Persoonlijke drive

Het milieuveld is de afgelopen jaren veel juridischer geworden, stelt De Hoog. Veel productielocaties zijn onderdeel van internationaal opererende bedrijven. Locatiedirecteuren kunnen zelf niet altijd bepaalde investeringsbeslissingen nemen die bijdragen aan een lagere milieubelasting. Ook willen ze weten of hun buurman dezelfde maatregelen gaat nemen. “Sommige directeuren gaven weleens aan om de maatregelen wettelijk op te leggen. ‘Dat is de enige manier om het hoofdkantoor te overtuigen’, kreeg ik te horen.”

“Medewerkers van chemiebedrijven zijn ook maar gewone mensen, die willen dat hun kinderen in een duurzame wereld opgroeien. Die persoonlijke drive heb ik altijd belangrijk gevonden. Als mens wil je de juiste maatregelen voor het milieu nemen, maar hoe krijg je dat voor elkaar? Daarvoor moesten we terug naar de achterban. Voor Nederland in het algemeen is het goed geweest dat er op topposities, zowel in de industrie als bij de overheid, altijd mensen zijn geweest met een persoonlijke drive om het goede te doen. Ook bij mensen van mijn generatie en bij jongeren zie ik steeds meer aandacht voor duurzaamheid en milieu.”

 

Optimistisch

Volgens De Hoog is er in Nederland veel overeenstemming over welke kant de chemische industrie op moet gaan, ook als het om duurzaamheid en milieu gaat. Stakeholders lopen vaak het hardst, terwijl de overheid er met wet- en regelgeving achteraan hobbelt. “Ik heb geleerd dat je de chemische industrie de tijd moet geven om milieumaatregelen te nemen. Dat is efficiënter dan ambitie op    ambitie te stapelen en te stellen dat de bedrijven niet willen. Uiteindelijk bewegen de bedrijven mee met de wensen van de samenleving.”

Binnen DCMR en daarbuiten staat De Hoog bekend als een optimistisch mens. Hij is er dan ook van overtuigd dat de chemische industrie, na de successen van de milieuconvenanten, er ook in zal  slagen om de CO2-uitstoot op termijn naar nul terug te brengen. Ook zal de chemische industrie in Nederland altijd blijven bestaan. “Uiteindelijk houden we een duurzame chemische industrie over die waardevolle en essentiële producten voor de hele samenleving maakt. Wanneer ik thuis om mij heen kijk, zie ik allemaal producten die er zonder de sector niet zouden zijn.”


CO2-afvang en -opslag

Het Rotterdam Opslag en Afvang Demonstratieproject (ROAD) was een initiatief van E.ON (nu Uniper) en GDF Suez (nu Engie) om vanaf 2015 CO2 af te vangen van de nieuwe kolengestookte elektriciteitscentrale op de Maasvlakte en de CO2 in lege of bijna lege gasvelden onder de Noordzee op te slaan. Het project ontving in 2010 veel subsidie van de EU en het ministerie van Economische Zaken. “Het idee was dat de eigenaren van de kolencentrales als eerste zouden investeren in leidingen en opslaglocaties”, blikt De Hoog terug. “De chemische industrie zou hierop aan kunnen worden gesloten. Helaas was er in de businesscase nog een gat van 30 miljoen euro. Daarom is het niet doorgegaan. Door het Klimaatakkoord is CCS nu veel urgenter geworden. Chemiebedrijven stellen nu ook zelf dat het een belangrijke maatregel is om de doelen uit het Klimaatakkoord te halen. Nu kost het de bedrijven veel meer, bijvoorbeeld door de CO2-heffing.”