21 - 10 - 2019

‘Ik ben van nature een verbinder’

Manon Bloemer is sinds een half jaar directeur van de Koninklijke VNCI

Ze had ruim 12 jaar bij Vopak gewerkt en was toe aan een nieuwe uitdaging. Ze wilde een bijdrage leveren aan de energietransitie van de fossiele industrie, maar had nog geen idee hoe. Tot de vacature van de Koninklijke VNCI voorbijkwam. Inmiddels is Manon Bloemer er een half jaar directeur.

Tekst: Igor Znidarsic

 

Ze werkte bij Vopak in Antwerpen, doordeweeks zag ze haar gezin in Rotterdam weinig. Na 2 jaar besloot ze te stoppen, maar nam in overleg met haar werkgever eerst enkele maanden vrij om na te denken over wat ze nu echt wilde. Ze had na haar studie bedrijfskunde 14 jaar bij Unilever in marketing en commercie gewerkt, daarna 12 jaar bij Vopak, aanvankelijk in een commerciële functie, vervolgens werd ze er als managing director operationeel verantwoordelijk, eerst in Nederland en daarna in België. Nadenkend over haar toekomst kwamen bij Manon Bloemer twee thema’s naar boven: mensen bewegen om veilig te werken, en bewust bezig zijn met de energietransitie. “Niet in die zin dat ik voor een windmolenfabrikant wilde werken. Ik dacht meer aan de energietransitie vanuit het perspectief van de industrie, waar ik zo graag mee werkte: hoe kan de op fossiele grondstoffen gebaseerde industrie zichzelf opnieuw uitvinden? Ik wilde daar actief een bijdrage aan leveren. Maar ik had nog geen idee in welke vorm.”

 

Tot de vacature ‘directeur van de Koninklijke VNCI’ voorbijkwam?

Manon Bloemer: “Ik dacht meteen: dichter bij de energietransitie dan dit kom je niet. En het andere grote onderwerp was veiligheid, waar ook mijn hart naar uitgaat. Ik sliep er een nachtje over, en dat was genoeg. Het klopte gewoon. Gelukkig zag de selectiecommissie van de VNCI het ook zo. Mijn enige twijfel was dat ik Den Haag, de politiek, de ambtenarij, niet kende. Tot ik doorkreeg dat Bernard Wientjes voorzitter was van de VNCI. Toen wist ik dat het goed zou komen. Als er iemand is die je wegwijs kan maken in de Haagse overlegwereld, is hij dat. Dat was en is echt een cadeautje.”

 

Vanwaar de grote belangstelling voor de energietransitie van de industrie?

“Ik ben van de communicatie, van de verbinding met de buitenwereld, daar ben ik in geschoold bij Unilever. Ik wist dat de chemie een niet al te best imago heeft, en ik wil me ervoor inzetten om dat beeld bij te stellen, want ik geloof in de innovatieve kracht van deze industrie. De chemische industrie biedt oplossingen waardoor ook andere sectoren kunnen innoveren en hun CO2-footprint verminderen. En dan heb ik het nog niets eens over hoe de chemie zichzelf opnieuw kan uitvinden.”

 

En vanwaar de belangstelling voor veiligheid?

“Als directeur bij Vopak was veiligheid mijn hoofdverantwoordelijkheid en heb ik de veiligheid in de keten aan den lijve meegemaakt, bij Vopak Noord Nederland (de terminals in Amsterdam en Eemshaven) en nog meer bij Vopak België. In Antwerpen slaat Vopak specialty chemicals op, gevaarlijke stoffen. En daar zijn ook alle modaliteiten – spoor-, water- en wegvervoer ¬– met daardoor veel meer af- en aankoppelingen, menselijke handelingen. Alles bij elkaar een hoger risicoprofiel. Ik heb er veel geleerd. Bij veiligheid draait het onder andere om gedrag van mensen, over de juiste beslissing nemen op het juiste moment. Bij Vopak wist iedereen hoe de dingen volgens het boekje moesten, toch werd daar weleens van afgeweken. Proberen te begrijpen waarom dat gebeurt vind ik intrigerend. Ik geloof erin dat als op veiligheidsgebied alles goed gaat, de klanten ook tevreden zijn en het als gevolg daarvan met het financiële aspect ook goed komt.”

 

Hoe ben je aan je nieuwe baan begonnen?

“De klimaatbesprekingen waren in volle gang. In de eerste week zat ik meteen al bij een vergadering hierover, met een grote groep leden en niet-leden. En er waren overleggen met ministeries en met VNO-NCW. Gelukkig had ik een maand overlap met Colette Alma, die mij overal introduceerde en bijstond. In de maanden daarna heb ik veel leden bezocht. En daar ben ik eigenlijk nog steeds mee bezig.”

 

Wat was je indruk bij die bezoeken?

“Het zijn het type bedrijven waar ik in mijn vorige functies al kwam en die ik voor een deel ook kende. Ik vind het heerlijk om over die terreinen te lopen, ik word gelukkig als ik die installaties zie. Het beeld werd bevestigd dat er zeer intelligente en bevlogen mensen werken, bezig met de toekomst, maar ook met vandaag, en dan vooral met de veiligheid.”

 

Legden ze bepaalde wensen op tafel?

“Niet direct, wel gaven ze aan dat het pijn doet dat de chemie er qua imago zo slecht op staat en niet gezien wordt voor wat die waard is. Die pijn voel ik zelf ook. Het heeft direct consequenties voor het aantrekken van nieuwe medewerkers, met name jongeren. We moeten die nieuwe generatie overtuigen hoe aantrekkelijk het werken in de chemie is.”

 

Wat is je antwoord dan? Wat kan de VNCI bieden?

“De bedrijven zijn er zelf natuurlijk ook al mee bezig. Op hun schaal bereiken ze al veel met burencontact, open dagen, contacten met onderwijsinstellingen. In het VNCI-bestuur staat het hoog op de agenda. Want het slechte imago werkt ook nadelig bij gesprekken met de politiek. We moeten ervoor zorgen dat we samen met de overheid een goed verhaal hebben, waarmee we eensgezind kunnen optrekken naar de toekomst. Als een partij populair roept dat we af moeten van alle ‘vervuilende’ industrie, moet er iemand in die politiek opstaan die zegt: dat kan helemaal niet, want we hebben onze welvaart aan die industrie te danken. We moeten verbindingen maken met de maatschappij, dat kan in Den Haag zijn of op regionaal ambtelijk niveau, maar ook met ngo's die ons misschien als een tegenstander zien, wat we helemaal niet zijn. We willen allemaal in 2050 een CO2-arme industrie hebben. We hebben hetzelfde doel: Parijs. Laten we dan vooral samenwerken, en geen tegenstellingen in stand houden die er eigenlijk niet zijn.”

 

Heb je afgelopen maanden ook met critici gesproken?

“Nauwelijks nog. Ik houd ook niet van het woord critici. De meeste mensen hebben gelijk, vanuit hun perspectief gezien. In plaats van de nadruk te leggen op de problemen die de afgelopen 100 jaar zijn ontstaan, kunnen we veel beter naar de toekomst kijken, wat er de komende 20, 30 jaar moet gebeuren. Ik praat ook met jongeren hierover. Mijn kinderen zijn in de leeftijd dat ze kritisch zijn over de chemische industrie.”

 

Wat zeggen ze dan?

“Ze vinden de industrie vervuilend en ook een beetje eng. Wat begrijpelijk is, want onbekend maakt onbemind. De chemische industrie is van oudsher heel gesloten geweest. Een van de dingen die we daarom moeten doen is verhalen naar buiten brengen. Voor ik begon bij de VNCI heb ik een hele stapel Chemie Magazines achter elkaar gelezen, en ik dacht: wauw, wat gaaf wat er allemaal gebeurt. Toch lukt het ons niet om dat verhaal naar het grote publiek te brengen. We moeten die verhalen in behapbare stukjes onderbrengen bij mensen die er net als wij in geloven en namens ons het verhaal kunnen vertellen. Als anderen enthousiast ons verhaal vertellen, is dat veel sterker dan dat we zelf zeggen hoe goed we zijn. We zijn, samen met andere branches, hard aan het nadenken hoe we dit voor elkaar kunnen krijgen.”

 

 

Iets heel anders: wie Colette Alma opvolgt ontkomt er niet aan om met haar vergeleken te worden. Hoe ga je daarmee om?

“Niemand kan in haar schoenen staan. Colette had om te beginnen een enorm netwerk. Ik moet dat nog opbouwen. Daarnaast had Colette alle dossiers in haar hoofd. Ik ben nog in de fase dat ik de dossiers leer snappen. Voor ik me in bepaalde discussies meng, wil ik eerst dat overzicht goed hebben. Wat betreft dossiers als ZZS, REACH en substitutie heb ik heel veel aan de VNCI-medewerkers, met name Dirk van Well en Peter Bareman. Dirk heeft me door alle dossiers heen geleid, we zijn samen bij de Product Stewardship-groep van Cefic geweest. En ik heb de afgelopen maanden veel gestudeerd. Ik ben er natuurlijk nog lang niet, maar ik heb de problemen inmiddels in kaart, op het niveau dat ik ‘weet wat er speelt’. Ik word natuurlijk nooit een chemicus zoals Colette, maar die inhoudelijke kennis zit gelukkig bij de medewerkers van het VNCI-bureau en zij kunnen af en toe sparren met ‘collega-specialisten’ van Cefic.”

 

Wat was je eerste indruk van het VNCI-bureau?

“Ik was getroffen door de passie en de betrokkenheid van de medewerkers. Waar we hier mee bezig zijn, dat gaat echt ergens over: over banen, over de toekomst, over veiligheid, over schoon, en steeds schoner, en dat stralen de collega’s uit. Iedereen is trots op zijn of haar rol als radertje in het geheel. Maar er zit in de cultuur ook iets dat beïnvloed wordt door het feit dat we zoveel met Den Haag te maken hebben, dat we dingen uiterst gedegen doen en soms complexer maken dan nodig is. We schrijven bijvoorbeeld iets in twaalf bladzijden, terwijl het volgens mij ook in drie kan. Dat geeft wat meer snelheid in de communicatie.”

 

Het eerste concrete resultaat onder jouw verantwoordelijkheid is de Strategische agenda voor de jaren 2020-2024. Wat staat daar in?

“We hebben met het VNCI-team drie pijlers geformuleerd. We hebben ten eerste geconcludeerd dat de positionering veel aandacht behoeft, gekoppeld aan het aantrekken van nieuwe medewerkers. De Human Capital Agenda gaan we daarom meer vanuit communicatie organiseren. Verder hebben we geconcludeerd dat de klimaattransitie dé innovatieopgave is voor de toekomst. Daarom worden Innovatie en Klimaat & Energie samengebracht in één team. En natuurlijk: Veiligheid, Gezondheid en Milieu, dat blijft altijd belangrijk, dit is van oudsher de kern van de VNCI. Verder willen we ons beter verbinden met de regio’s, samen optrekken bij activiteiten. Zo maken we ook beter contact met het mkb, ngo’s en regionale bestuurders. In de clusters gebeurt het immers, de verduurzaming en het ervaringen uitwisselen op het gebied van veiligheid. Hoe we precies invulling geven aan deze regionale agenda’s, gaan we samen met een aantal leden uitdenken.”

 

Wat ga je de komende tijd doen?

“Ik ben van nature een verbinder, iemand die mensen en partijen bij elkaar brengt. Maar om een goede gesprekspartner te zijn voor een externe partij, moet ik eerst weten wat ik te bieden heb. Op dit moment vind ik de leden leren kennen het allerbelangrijkst, en een goed contact met de partijen waar we mee samenwerken in Den Haag. Weten waar we als bureau mee bezig zijn en de leden vragen wat hun verhalen en wensen zijn, dat staat op dit moment centraal.”

 


Manon Bloemer privé

Manon Bloemer is getrouwd met Ferdinand, die huisarts is. Ze hebben drie kinderen (15, 16 en 19 jaar). De oudste, die al het huis uit is, gaat via de University College de economisch-maatschappelijke kant op, de andere twee zitten nog op de middelbare school. Manon is, net als haar man, een fervent lezer, "zowel wat er in de wereld gebeurt" als "mooie romans". Verder gebruiken ze beiden geregeld hun Museumjaarkaart, "vooral moderne kunst". En ze wandelen veel met de hond. Manon houdt ook van lekker eten, hoewel ze zelf nooit kookt ("mijn man is een heel goede kok”), en doet "af en toe" een "lesje bootcamp op mijn niveau".


CV

Manon Bloemer studeerde bedrijfskunde aan de Erasmus Universiteit, Rotterdam School of Management, en werkte daarna 14 jaar bij Unilever in brand development en account management. Vervolgens was ze ruim 12 jaar werkzaam bij Vopak (opslag van vloeibare olieproducten, chemicaliën en gas), onder meer als global account director en managing director Vopak Noord Nederland en Vopak Belgium.

 

Foto’s: Mirjam van der Linden (met dank aan Hexion)


Lees meer over dit onderwerp via de tag(s):
VNCI
Chemie Magazine

Onderdeel van dossier(s):