'Chemiesector laat leiderschap zien'

 

Tekst: Igor Znidarsic

 

VNCI presenteert 'Chemistry for Climate - Acting on the need for speed

 

Onlangs presenteerde de VNCI het rapport ‘Chemistry for Climate - Acting on the need for speed’. Het laat zien hoe de Nederlandse chemische industrie in 2050 een broeikasgasreductie van 90 procent kan bereiken en wat de kosten daarvan zijn. Stakeholders reageren overwegend positief. “Met hen gaan we de transitie nu verder gezamenlijk vormgeven”, aldus Reinier Gerrits, hoofd Energie en Klimaat bij de VNCI.  

Op 7 maart presenteerde de VNCI onder grote belangstelling het rap-port ‘Chemistry for Climate - Acting on the need for speed’. “Het rapport laat zien dat het technisch mogelijk is om in 2050 een broeksgasreductie van 90 procent te bereiken en wat daar allemaal voor nodig is”, zegt Renier Gerrits, hoofd Energie en Klimaat bij de VNCI. Een cruciale voor-waarde voor het behalen van de ambitie is intensieve samenwerking tussen alle stakeholders. Die waren dan ook allemaal betrokken in het voortraject en aanwezig bij de presentatie. “Met hen gaan we de transitie nu verder gezamenlijk 
vormgeven”, aldus Gerrits.

De opdracht vanuit de VNCI was niet om te onderzoeken of de chemische industrie de broeikasgasemissies met 90 procent kan reduceren in 2050, maar hoe de sector dit kan bereiken, vertelt Michiel Stork van Ecofys, die samen met Berenschot het rapport opstelde. Het onderzoek is zo veel mogelijk gebaseerd op bestaande literatuur en op input van stakeholders. Er kunnen volgens het rapport, kortweg ‘Routekaart 2050’ genoemd, twee paden worden bewandeld.
Het eerste richt zich op het doel van de overheid om de proces- en energie-emissies met 49 procent te verlagen in 2030. Dit kan tegen beperkte kosten, onder meer door biomassa te gebruiken voor energieopwekking. Het tweede pad richt zich op zowel de energie- en proces-gerelateerde emissies als de end-of-life-emissies, wanneer de koolstof die embedded is in de producten weer vrijkomt. “Dit pad beoogt de beschikbare resources zo hoogwaardig mogelijk in te zetten en rekening te houden met het feit dat ze beperkt zijn”, zegt Stork. 

De Routekaart 2050 legt de nadruk op het tweede pad. Het vergt eerdere en hogere investeringen, niet alleen in de chemische industrie maar ook bijvoorbeeld in de energiesector. 

 

Vol op innovatie inzetten
“Door nu vol op innovatie in te zetten, kunnen deze kosten lager worden”, aldus Stork. Er moet nu geïnvesteerd worden in de doorontwikkeling van technologieën die een hoge CO2-emissiereductie mogelijk maken maar nu nog niet betrouwbaar en/of rendabel zijn, inclusief opschaling in demofabrieken, stelt het rapport. Natuurlijk zijn er ook technieken die op korte termijn geïmplementeerd kunnen worden. “In de transitieboom komt steeds nieuw laaghangend fruit te hangen”, zegt Bert den Ouden, sectorleider Energie bij Berenschot. “Onder meer door innovaties, doorbraken met ledverlichting, windenergie, steeds beter potentieel voor warmtepompen.” Maar alleen concentreren op het verminderen van emissies op de korte termijn brengt het risico met zich mee dat de technieken die nodig zijn voor de langere termijn te laat beschikbaar komen. “De tijd dringt”, schrijft VNCI-voorzitter Mark Williams dan ook in het  voorwoord. 

 

 


Lees verder:

Slimme combinaties
Bij het onderzoek gingen Ecofys (onderdeel van Navigant) en Berenschot uit van drie hoofdstromen, die Stork ‘extremen’ noemt: “Eén: alle producten biobased maken, en zo veel mogelijk recyclen. Twee: alle producten uit (duurzame) CO2 en elektriciteit maken, in combinatie met energie-efficiëntie. Drie: zo veel mogelijk CO2 afvangen en onder de grond opslaan.”

Bij elke hoofdstoom hoort een ‘maar’. “Alle producten biobased maken kost heel veel biomassa en niet alle processen lenen zich er even goed voor. Alle producten uit elektriciteit maken kost heel veel elektriciteit en sommige processen lenen zich er ook niet goed voor. En volledige CO2-emissiereductie met CCS (carbon capture and storage) is niet mogelijk, omdat sommige emissies te diffuus plaatsvinden en omdat niet alle embedded emissies kunnen worden afgevangen.”

Uiteindelijk is het zaak om van de drie hoofd-stromen slimme combinaties te maken. Ze kunnen gezien worden als communicerende vaten.Alle drie de hoofdstromen focussen op de grondstoffen, en dus op de embedded koolstof. Stork: “Bij biobased feedstock spreekt dat voor zich, net als bij recycling. Maar ook met elektrificatie bouw je koolwaterstoffen: via elektrolyse maak je waterstof en je combineert dat met stikstof uit de lucht tot ammoniak. Je kunt ook duurzame CO of CO2 afvangen en combineren met waterstof uit elektrolyse.”

Volgens Stork kunnen bedrijven die al een energie/klimaat-strategie hebben deze nu checken of verrijken met de inzichten uit deze routekaart. “Bedrijven die nog niet zo ver zijn zouden er nu mee aan de slag moeten. Ze kunnen deze routekaart vertalen naar hun eigen bedrijf. Vervolgens is het een kwestie van vol inzetten op de maatregelen die nu al technisch en economisch haalbaar zijn, en technieken verder ontwikkelen die (nog) niet helemaal uitontwikkeld en/of economisch rendabel zijn.” Hij ziet hierbij een rol voor Ecofys.

 

Stakeholders meegenomen
Bij het opstellen van het rapport hebben Ecofys en Berenschot nauw samengewerkt en daarbij de wederzijdse expertises gecombineerd. Zo heeft Berenschot expertise vanuit de vorige routekaart van de VNCI ingebracht; Ecofys bracht de Cefic-routekaart in, deed de analyse van feedstocks en productstromen en had de projectleiding. Berenschot heeft onder meer de literatuuranalyse gedaan en de energiescenario’s berekend, met de effecten op en investeringen in de energiesector. Gezamenlijk begeleidden zij het stakeholderproces. “Vanaf het begin al was duidelijk dat de ambitie alleen gehaald kan worden bij een gezamenlijke aanpak”, zegt Niki Lintmeijer, senior consultant bij Berenschot. “Daarom hebben we de stakeholders in het voortraject meegenomen, via validatiesessies, workshops en een online tool.” 

Voor de transitie is interactie met maatschappelijke stakeholders essentieel, stelt het rapport. “De belangrijkste opgave van de komende jaren wordt samenwerking tussen alle betrokken par-tijen”, aldus Stork. “Onder meer de chemische industrie, de overheid, de biosector, de afvalbranche, de elektriciteitssector en leveranciers van infrastructuur.” Een van de belangrijkste stakeholders is de overheid. De boodschap richting de overheid is echter niet alleen maar dat deze de portemonnee moet trekken, stelt Lint-meijer. “Met dit rapport hebben we de omvang van het probleem duidelijk gemaakt, ook financieel. We hebben de realiteit laten zien dat de transitie veel geld kost. Samenwerking met de overheid in het haalbaar maken van deze investeringen is essentieel.”

 

Financiële steun nodig
De totale kosten bedragen 27 miljard euro voor de chemiesector en 37 miljard voor de energiesector. “We zeggen niet dat deze volledig gesubsidieerd moeten worden”, zegt Den Ouden. “In het rapport en ook bij de presentatiebijeenkomst hebben we dat duidelijk genuanceerd: met veel innovatie kunnen die kosten omlaag, terwijl tegelijkertijd de CO2-prijs in een Europees en mondiaal level playing field  omhoog zou moeten. Tot die tijd is financiële steun nodig, zodat de chemie kan investeren in de nu nog minder rendabele maatregelen en innovaties. De vraag aan de overheid is om met beide kanten te helpen. Het is vergelijkbaar met was er gebeurd is met een traject als wind op zee: een integraal pakket en steuntraject gericht op innovatie, volumestappen en kostendaling.”

Het rapport stelt dat de overheid een belangrijke rol heeft in het faciliteren van cross-sectorale programma’s op cruciale thema’s zoals waterstof, elektrificatie, CCS, recycling en bioraffinage en in investeringen die nodig zijn om de innovaties marktrijp te maken. Lintmeijer: “Als de CO2-prijs omhoog gaat en de kosten van die nieuwe technieken omlaag, komt er een moment dat het voor de sector zinvol is om te investeren. Zolang dat nog niet het geval is, moet er geïnvesteerd worden in R&D en het gezamenlijk opzetten van demo’s en pilots. Daar is de steun van de overheid bij nodig.” Den Ouden benadrukt dat de chemiesector met dit rapport veel verder gaat dan de overheid. Die telt alleen de schoorsteenemissies, terwijl dit rapport ook de embedded emissies becijfert. “De chemiesector heeft leiderschap getoond”, aldus Den Ouden. “Het is nu zaak om ook de overheden in andere Europese landen dit verhaal uit te leggen, iets waar we ook vanuit Berenschot graag verder bij helpen.”